De uitsluiting van de “in solidum” aansprakelijkheid van de architect: wanneer wel, wanneer niet ?

© Philippe Vansteenkiste © Jacques Vandeuren

1. Het principe van de “in solidum” aansprakelijkheid

De architect en de aannemer kunnen principieel in solidum aansprakelijk worden gesteld door de bouwheer indien hun onderscheiden fouten hebben bijgedragen tot dezelfde schade. Dit houdt in dat zowel de aannemer als de architect elk afzonderlijk voor het geheel van de schade in hoofde van de bouwheer kunnen worden aangesproken.
Diegene die als eerste de schade van de bouwheer vergoedt, aannemer of architect, heeft vervolgens een verhaalrecht op de andere voor wat diens aandeel in de schade betreft. De rechter zal immers, op verzoek daartoe, bepalen welk deel aansprakelijkheid aan elk van hen toekomt. Dit is evenwel enkel van belang in hun onderlinge verhouding. De bouwheer zal daar geen rekening mee moeten houden.
Gezien de architect een verplichte BA-verzekering heeft, zal hij meestal als eerste worden aangesproken voor de volledige schade. In dat geval heeft hij dus nog een verhaalsrecht t.a.v. de aannemer ten bedrage van het aandeel van deze laatste. Het omgekeerde geldt indien de aannemer als eerste zou worden aangesproken.

2. De conventionele uitsluiting van de “in solidum” aansprakelijkheid

In architectenovereenkomsten wordt steevast een standaardclausule opgenomen op basis waarvan de architect niet in solidum met andere bouwpartners kan worden aangesproken.
Deze clausule is op zich perfect rechtsgeldig en zorgt ervoor dat de architect – of beter zijn verzekeraar – enkel voor zijn aandeel in de schade moet opdraaien. De bouwheer kan van hem dus niet vragen om de volledige schade te vergoeden.

3. Tienjarige aansprakelijkheid vs. aansprakelijkheid voor gewone verborgen gebreken

Aannemer en architect kunnen in principe na oplevering – of aanvaarding van de werken – enkel nog worden aangesproken voor verborgen gebreken, m.a.w. gebreken die de bouwheer (nog) niet kon vaststellen op het ogenblik van de oplevering.
Deze aansprakelijkheid voor gewone verborgen gebreken is te onderscheiden van dé ‘tienjarige aansprakelijkheid’. Deze laatste houdt in dat de aannemer en architect sowieso ook gedurende tien jaar aansprakelijk blijven voor ernstige gebreken die de stevigheid van het gebouw in het gedrang brengen. Alleen gebreken die ernstig genoeg zijn om de stevigheid van het gebouw of van een belangrijk onderdeel ervan in het gedrang te brengen vallen onder het toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid. Dit ongeacht of ze konden worden vastgesteld bij de oplevering. Het beoordelingscriterium is hier de ernst van het gebrek.
Deze termijn vangt eveneens aan na aanvaarding van het bouwwerk door de bouwheer. De aannemer en architect blijven m.a.w. sowieso aansprakelijk voor dergelijke ernstige stabiliteitsgebreken tot tien jaar na de oplevering. De bouwheer moet zijn vordering uiterlijk binnen die termijn in rechte instellen. Dit betekent dat hij voor her verlopen ervan de rechtbank moet hebben gevat. Het gaat om een “hakbijl”-termijn.

Deze tienjarige aansprakelijkheid strekt er – i.t.t. voor gewone verborgen gebreken – niet enkel toe om de belangen van de opdrachtgever/bouwheer te beschermen, maar tevens de openbare veiligheid. Naar constante rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt de tienjarige aansprakelijkheid, zoals neergelegd in de artikelen 1792 en 2270 BW, geacht van openbare orde (of belang) te zijn.

4. Tienjarige aansprakelijkheid en de conventionele uitsluiting

Het gevolg van het openbare orde-karakter van de tienjarige aansprakelijkheid is dat deze, i.t.t. de gewone (verborgen) gebreken, niet contractueel kan worden uitgesloten of ingeperkt. Een dergelijke clausule dient als nietig te worden beschouwd en heeft dus geen uitwerking.
Een clausule die de in solidum aansprakelijkheid uitsluit voor gebreken die onder de tienjarige aansprakelijkheid houdt een inperking van de aansprakelijkheid in. Een dergelijke clausule kan dus geen uitwerking hebben.
Zo stelde het Hof van Cassatie bij arrest van 5 september 2014:
“De tienjarige aansprakelijkheid van de architect wegens een gebrek in de bouw is van openbare orde en kan mitsdien contractueel niet worden uitgesloten. Het beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met deze van de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schadevergoeding verschuldigd is aan de bouwheer, houdt een beperking in van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek en is in zoverre strijdig met de openbare orde.”
In een recent arrest van 12 februari 2021 voegde het Hof van Cassatie aan het voorgaande toe dat deze regel geldt ongeacht de al dan niet aanvaarding van de werken. In de zaak die aan de grondslag van dit arrest ligt, was de architectenovereenkomst met wederzijdse toestemming beëindigd nog vóór de werken werden opgeleverd. Een andere architect had nadien de opvolging van de bouwwerf overgenomen. De appelrechters meenden dat de (eerste) architect zich desondanks niet op de clausule kon beroepen die de in solidum aansprakelijkheid uitsluit. Het openbare orde-karakter van de tienjarige aansprakelijkheid weegt dus zeer zwaar door. Ze geldt met name nog voor de termijn van tien jaar effectief is beginnen lopen.

5. Besluit

De contractuele bedingen in architectenovereenkomsten waarbij de in solidum aansprakelijkheid wordt beperkt of uitgesloten zijn rechtsgeldig wanneer ze betrekking hebben op gewone gebreken. Ze kunnen evenwel in geen geval worden ingeroepen wanneer de tienjarige aansprakelijkheid van de architect op het spel staat.

Overzicht >

// Deel dit bericht